ATEX ventielen: zones, categorieën en classificaties uitgelegd
In omgevingen waar brandbare gassen, dampen of stof aanwezig zijn, is het risico op explosies groot. Daarom wordt er binnen de ATEX-richtlijn gewerkt met zogenoemde zones. Deze zones geven aan hoe vaak en hoe lang een explosieve atmosfeer kan voorkomen. Voor gassen en dampen zijn dit zone 0, 1 en 2. Voor stof gaat het om zone 20, 21 en 22. Hoe lager het zonenummer, hoe groter het risico. Een ATEX ventiel moet altijd geschikt zijn voor de zone waarin het wordt toegepast, anders voldoet de installatie niet aan de veiligheidsvoorschriften.
Naast zones wordt er ook gesproken over ATEX categorieën. Deze categorieën geven aan hoe veilig een ventiel is ontworpen. Zo zijn categorie 1-ventielen bedoeld voor de meest risicovolle zones (zone 0 en 20), categorie 2 voor zone 1 en 21, en categorie 3 voor zone 2 en 22. Een belangrijk punt hierbij is dat een ventiel altijd een hogere veiligheidscategorie mag hebben dan vereist, maar nooit lager. In de praktijk betekent dit dat een ATEX ventiel voor zone 1 ook veilig gebruikt mag worden in zone 2, maar niet andersom.
Tot slot speelt de classificatie van het ATEX ventiel een belangrijke rol. Hierbij gaat het onder andere om de groep (industrie of mijnbouw), het type medium (gas of stof) en de temperatuurklasse. De temperatuurklasse geeft aan hoe heet een ventiel maximaal mag worden zonder ontstekingsgevaar te veroorzaken. Dit is vooral belangrijk bij toepassingen met vluchtige gassen of fijn stof. Door zones, categorieën en classificaties goed op elkaar af te stemmen, zorg je voor een veilige installatie die voldoet aan de ATEX-wetgeving én de eisen van inspecteurs.